Een aimabele oude man fluistert me toe of ik het hier, in Libië, naar mijn zin heb. Of ik niet teveel wordt lastiggevallen. Ik antwoord dat het nogal meevalt. Je weet maar nooit met wie je te doen hebt.
‘We zijn hier niet vrij’ zegt hij dan, ‘Libië is het slechtste land van de hele Arabische wereld. Er was jarenlang geen zeep in de winkels, en nu deelt hij wat geld uit om ons te sussen,’ vervolgt hij.
‘We zijn als muizen voor de kat, neen, als insekten, verpletterd onder een zware laars.’
Tripoli
Het is zeldzaam dat een inwoner van Tripoli zo zijn ongezouten mening durft te zeggen. Mohammed is tachtig en heeft in het buitenland gestudeerd. ‘Ik ben te oud, mij kunnen ze niets meer doen,’ zegt hij.
Ik ontmoet Mohammed bij het inchecken op de luchthaven van Tripoli. We beloven elkaar het gesprek verder te zetten op het vliegtuig. Het is lang wachten voor het inschepen, en Mohammed duikt pas op net voor het vertrek.
Op zachte toon zegt hij snel dat ze hem een uur lang hebben vastgehouden en viermaal zijn paspoort gecontroleerd, en herinnert aan onze afspraak.
De vlucht is vol. Ik zet me neer, maar de stoel naast de mijne blijft leeg. Mohammed is nergens te bespeuren.
Iets of iemand heeft hem belet aan boord te stappen, na ons tweede vluchtige gesprek.
De supporters
‘God, Moammar, Libie en niets anders’ weerklinkt op alle radio’s. Toegegeven, de muziek is vrij hip en hartverwarmend. Een combinatie van traditionele Oosterse toonladders en Rap.
De staatstelevisie toont voortdurend publicieteitsclips voor Khaddafi, snelle montages van uitspraken van de Gids van de Revolutie, afgewisseld met militaire parades en groene vlaggen zwaaiende menigtes.
In Tripoli herhaalt iedereen op straat ook voortdurend een tweede tune die de laatste weken is opgedoken: ‘Als je niet van Khaddafi houdt, verlaat het land dan maar’, en een minder poëtische tirade aan het adres van de Arabische nieuwszender Al Jazeera.
Velen hier hebben een baan bij de overheid, of geloven ook oprecht in het Arabische Socialisme van het Groene Boekje.
Ze herhalen allen bijna woordelijk de beschuldigingen van Saif Al Islam, de jongste zoon van Khaddafi, dat de tegenstanders allen bebaarde mannen van Al Qaeda zijn, dat er in Benghazi vooral buitenlanders wonen. Dat de opstandelingen steun krijgen van Engeland en Frankrijk en betaald worden met geld uit Dubai en Qatar.
Een kolonel van het leger beweert dat zijn volksleger niet op de eigen bevolking zou schieten, maar dat het hier wordt geconfronteerd met gewapende opstandelingen, die legerkazernes hebben bestormd en leeggeplunderd.
Artikel 25
Libie duldt geen buitenlandse journalisten. Een persvisum krijg je uitsluitend na uitnodiging van de Buitenlandse Media Organisatie van het Ministerie van Informatie. Die uitnodiging komt er enkel voor een reportage over een goedgekeurd toeristisch onderwerp.
Dat op zich is niet zo uitzonderlijk, buiten de selecte groep van Westerse landen waar het principe van de persvrijheid bestaat. Het is niet anders in alle andere Arabische landen, in Afrika en in vele Aziatische landen.
In een land in oorlog ben je als Westerse journalist een spion voor de autoriteiten en het leger, en vaak de vijand voor de bevolking. Het is dus voortdurend op eieren lopen. Een beetje zoals een Duitse cameraploeg zich zou hebben gevoeld in Brussel, midden in de Tweede Wereldoorlog, of tijdens de Blitz in Londen.
Een week lang bleef het land hermetisch afgesloten van de buitenwereld en sijpelden enkel geruchten over het verloop van de opstand naar buiten. Dan kwam enkel de waarheid van rebellenzijde aan bod.
De in het Westen opgegroeide Saif Al Islam beseft dat het regime ook haar waarheid moet kwijt kunnen en nodigt enkele buitenlandse journalisten uit. Sinds het begin van het conflict treedt hij op als spreekbuis van de familie. Sommigen menen dat hij de nieuwe sterke man is, alhoewel vier broers ook stevig de touwtjes in handen hebben van het Ministerie van Binnenlandse Veiligheid en van twee leger brigades.
De praktische organisatie laat hij over aan de hierin ervaren ambtenaren van het Ministerie van Informatie. Ik was jaren geleden al eens in Libië en toen werden we voortdurend geëscorteerd door een chauffeur en een vertaler, maar nu zijn we met tevelen. Er zijn te weinig schaduwen voor zoveel journalisten en het is dus mogelijk te ontglippen aan hun aandacht.
Geen erg, want allerlei gewapend tuig bemant checkpoints op alle strategische straathoeken in de stad. Ook buiten de hoofdstad zijn er regelmatig controleposten. Op de tweehonderdvijftig kilometer lange kustweg van Sirte naar het front in Ras Lanuf, tel ik één wegversperring om de twee à drie kilometer.
Met de papieren uitnodiging van het Ministerie van Informatie zwaaien opent soms wel een wegversperring. Als je dan je camera bovenhaalt, bijvoorbeeld in de armere wijk Tejura, waar veel journalisten pogen een opposant te vinden, wordt je onmiddellijk omringd door tientallen leden van de staatsveiligheid en politie in burger.
In het beste geval escorteren ze je dan weer naar het hotel, maar enkele Arabische collega’s die werken voor de BBC blijven drie dagen vermist en worden zwaar mishandeld, een journalist van de Sunday Times wordt weggevoerd naar een of ander commissariaat en drie uur lang geblinddoekt en gehurkt vastgehouden met de loop van een kalashnikov in zijn nek.
Zelf heb ik ditmaal geluk met de Russische roulette, maar als ik er dan in slaag tot in de stad Zawija door te dringen, enkele uren na een zware veldslag daar, en er een halfuur lang wat beelden maak, wordt ik bij het buiten rijden geïnterpelleerd door de commandant van de 32ste Brigade van het Libische leger. Het is de beruchte Khamis brigade, geleid door de gelijknamige zoon van de Grote Leider.
Kapitein Assam laat ons dan allemaal grondig fouilleren, en al onze camera’s, tapes, satelliet telefoons, gsm’s en geheugenkaarten worden in beslag genomen. Drie dagen lang wordt alles minutieus onderzocht, zo hoor ik van een hooggeplaatste bron, om zeker te zijn dat we geen spionnen zijn.
Nu, ook bij ons, hangt er in Evere en groot bord dat het fotograferen verbiedt voor de gebouwen van de NAVO en aan het hek van de luchtmachtbasis van Kleine Brogel. De persvrijheid mag dan al gegarandeerd worden in artikel 25 van onze grondwet, in het strafrecht staan twee bepalingen die het fotograferen strafbaar maken in het geval van feiten die ingaan tegen de goede zeden en in het geval van militaire domeinen.
Benghazi
Veel lachende, blije gezichten. Iedereen vraagt waar je vandaan komt. Belgique, ja dat land kennen ze. ‘FN’ roepen ze dan, ‘Belgique good!’, waarna ze in het Arabisch enthousiast verder gaan. Dan haak ik verontschuldigend af.
Mufta is mijn lieve en wijze taxichauffeur, die ook een mondje Engels spreekt. Hij is net zo oud als ik, maar door de zon en de dorre woestijn gebruind en gerimpeld. Trots vertelt hij dat hij tien kinderen heeft. Allen hebben gestudeerd en hebben een baan. De ene is leraar, een andere bankbediende.
Nouri is onze gastheer voor een nacht. Hij en zijn vijf broers en twee zussen zijn allen naar de universiteit geweest. Zij zijn apotheker, ingenieur, leraar, econoom en werken voor de staat of hebben werk doordat ze iemand kenden die bij het regime aanleunt. Toch staan ze allen achter de revolte tegen het regime. Ze verdienen niet genoeg, zeggen ze.
Ze kijken met afgunst naar de glitter van Dubai, en vragen zich af waar het geld van de Libische olie naartoe vloeit. Dat er aan de rand van Benghazi een nieuwe stad verrijst met twintigduizend sociale woningen, en in het centrum een gigantisch sportcomplex, daar hebben ze geen boodschap aan. Ze willen meer.
Pas na herhaaldelijk aandringen komt de wil om meer vrijheid en om de afschaffing van de politiestaat aan bod. De revolutie is er in de eerste plaats een van materialistische motieven.
Welke vrijheid
In de marinebasis van Benghazi komt in het holst van de nacht een manke visserssloep aan uit het belegerde Misrata, met aan boord enkele families met kinderen die de terreur van willekeurige beschietingen ontvluchten. Familieleden staan hen op te wachten op de kade.
Ik haal mijn camera boven, benieuwd naar de verhalen uit de tot nu toe voor ons ontoegankelijke stad. Haast onmiddellijk omringen de mannen mij en vragen om niet te filmen. Dat mag hier niet, ik moet eerst toestemming vragen aan de havencommandant.
Even verder laden jongens met machinegeweren munitie op een sleepboot. Er rijden constant witte Pick-uptrucks van de rebellen het terrein op en aan. De marinebasis is in handen van de Shabab, er is hier geen havencommandant meer. In dat geval mag het nog steeds niet, krijg ik te horen. In Libië mag je niet zomaar mensen filmen, zeggen ze.
Hoezo? Ik dacht dat dit het vrije Libië was. In het Libië van Khaddafi mag ik niks filmen, buiten toeristische bezienswaardigheden dan. Weten ze wel wat vrijheid is, vraag ik ze. De mannen debatteren dan kalm gedurende vijf minuten onder elkaar. Dan komt een oudere, die wat Engels machtig is, mij melden dat het OK is. Dat ik toch mag filmen.
Maar geen vrouwen. Dat mag niet.
Ook niet in dit vrije Libië.
Eric Fux is journalist-cameraman en volgde de opstand in Libië gedurende 7 weken, vanuit de twee kampen.
@Allen: reageren op dit bericht impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums, lees ze dus - mod






19/04/2011 om 20:14
Het is verfrissend om eens een feitelijk verhaal - geschoeid op verklaringen vanuit de twee kampen - te horen (of lezen), in plaats van geopinieerde kletspraat van de standaard nieuwsmakers. Zo kunnen we zelf een opinie trachten te construeren, zonder door de vrt moederrmelk te worden geconditionneerd. Doe zo voort!