deredactie.be - ANALYSE

Oorlogsdagboek uit Libië

25 / 03 / 2011

 

Een enorme indringende stilte wekt me. Het is aardedonker buiten. De auto staat scheef aan de kant van de weg geparkeerd. Regen tikt op de autoruit. Buiten is er het grote niets. Behalve woestijn

Het moet vier uur ’s ochtends zijn, misschien al vijf. Ik wek ruw de chauffeur, zet me achter het stuur en begin zelf verder te rijden. Traag eerst, want de ruitenwisser doet het nauwelijks en de lichten reiken maar tien meter ver. Verderop in het duister gaapt ergens de Libische grens. Nog drie uur voor de eerste deadline, het radio ochtendnieuws van zondag. De oorlog slaapt tenslotte ook niet.

Angst

Benghazi is onwaarschijnlijk bang geweest. Niemand geeft het toe, maar je voelt het, je ruikt het. De stad bekomt nog van de schok als wij er toekomen. De dag voordien hebben Franse Mirages Benghazi ontzet. De festivalsfeer van drie weken geleden is verdampt. Winkeltjes zijn toe, de checkpointes onderweg naar hier een stuk ernstiger. De stad houdt zijn adem nog in. Aan het gerechtsgebouw in Benghazi, zowat het officieuze zenuwcentrum van de rebellen, is er heel wat minder volk dan drie weken geleden. De festivaltentjes er omheen waar gezinnen ronddrentelden, mannen discussieerden en de eerste edities van heropgerichte kranten bij thee gelezen werden zijn nu verlaten.

Pas de laatste dag, tijdens een begrafenis, zal een oude man mijn geluidstechnicus Kris aanspreken en met iele stem, fluisterend en wenend als een kind, vertellen hoe bang hij wel is geweest. ‘We zijn aan de dood ontsnapt, aan een gruwelijk bloedbad. Khaddafi zou alle jongens en mannen in Benghazi genadeloos uitgeroeid hebben. Dank u meneer Sarkozy’. Ik krijg het vaak te horen: de oprechte dankbaarheid voor de internationale militaire steun. Aan het gerechtsgebouw wordt een gigantische Franse banier ontrold. Benghazi is voor een tweede keer bevrijdt, zeggen ze hier.

Volle ziekenhuizen

De koorts van een oorlog wordt het best gemeten in ziekenhuizen en mortuaria. Samen met tv-collega Rudi Vranckx trek ik naar het Jallaa ziekenhuis. Het is één van de drie ziekenhuizen in Benghazi, maar het heeft de best functionerende spoedafdeling. ‘Hoe zou een verbrijzelde arm aanvoelen?’ denk ik terwijl een dokter zich in de spoedafdeling boven röntgenfoto’s buigt waarop versplinterd bot te zien is. Er sijpelt bloed van het bed waarop de zwaargewonde rebel in ligt. De Filippijnse verpleegster die me rondleidt ziet me naar de foto’s kijken. ‘Amputatie. Hoogstwaarschijnlijk. De dokter bekijkt het nog, maar het ziet er veel te slecht uit’. Op een minzame, en tegelijk wrede manier, zeggen verpleegsters vaak al wat dokters nog niet uitspreken durven. In dit kwartier alleen al hebben ze de voorbije dagen vijftig patiënten behandeld.

Een bed verder ligt een jongentje van vijf te woelen van de pijn. Zijn dunne armpjes zijn vastgebonden aan het bed. Hij kreeg een kogel in de zijkant van zijn borst. Zijn ogen sperren zich nu eens open, en draaien dan weer weg. Hij kermt. De verpleegster naast me geeft hem wat water met een grote plastieken spuit, zoals je ook pasgeboren diertjes water geeft. De kleuter heeft, net als zijn moeder die in een andere hoek van het kwartier ligt, nog geluk gehad. Zijn vader, haar man, kwam om bij de gevechten. Wanneer ik de spoedafdeling verlaat worden twee nieuwe patiënten binnengeraced. Ik betrap er mezelf op dat ik controleer of mijn geluidsman toch ook zeker de klank opneemt van de piepende wieltjes over de koude stenen vloer.

Doden

Op weg naar het mortuarium krijgen we mondmaskers om. Omdat het er donker is moeten mijn ogen wennen aan het duister. Wat er dan te zien is, is niet mooi. Het lelijke gezicht van de oorlog. Er ligt, onder meer, een bleke jongeman op een brancard op de grond. Er rond staan wenende mannen. Aan zijn kledij, onder meer met felrood T-shirt en groene Arafat sjaal, zie ik dat het om een strijder, een rebel, gaat. Ik zet de microfoon op en beschrijf, vat samen. Wat later zal ik dat overdoen nadat ik merk dat de rebel helemaal geen helrood T-shirt draagt, maar een wit dat rood van het bloed is.

Dan tonen de dokters dingen waarvan ik niet direct weet of ik ze wel wil beschrijven. Ook luisteraars moet je soms beschermen voor al te rauwe gruwel. Een groezelig deken gaat open. Er ligt een afgerukt been. In andere dekens steken nog stukken mens, ledematen, een kapotte schedel, een romp waar de ruggengraat ver uitsteekt. Beelden die je ziet kunnen, helaas, niet ont-zien worden. Ik kijk naar Kris, mijn geluidsman, om te zien hoe hij reageert en besluit dat ik straks, maar ook morgen moet blijven polsen of hij ok is.

De dokters versagen niet. Vrieskoffers openen en sluiten zich even koud als efficiënt. Bodybags worden op eenvoudig verzoek open- en toegeritst. Tot er buiten salvo’s schoten klinken. Op zich niets ongewoon in Benghazi. Maar personeel van het ziekenhuis komt met angstige ogen beschutting zoeken in het gebouwtje. Er is geharrewar. Er wordt geroepen. Nog schoten. We moeten elders beschutting zoeken en lopen naar buiten, het veel te felle zonlicht in. Opnieuw geroep. Mannen lopen naar ons toe, weg van de ingang van het ziekenhuis waar blijkbaar een clan staat met een gewonde. Ze willen geen buitenlanders in het ziekenhuis en maken misbaar. Er is even paniek. Weer schoten. We worden snel naar een zijuitgang van het ziekenhuis geleid en staan voor we het goed beseffen in een zijsteegje, wat bedremmeld, met niet meer dan trieste verhalen en gruwelijk beelden.

’s Avonds kijk ik van op de dertiende verdieping van op mijn hotelkamer naar de televisie. Ik zap snel tussen Al Jazeera, CNN en het zwaar gestoorde BBC. Een studioanker staat voor een groot interactief scherm en goochelt met kaarten. De klank valt weg, waardoor ik alleen de stad buiten hoor, maar ik kijk toch maar verder. Het mannetje op de televisie schuift nu kleine vliegtuigjes van noord naar zuid op het scherm. Er verschijnen icoontjes van duikboten en raketten. Het ziet er zo schrikwekkend goed uit op het scherm. Zo proper ook. De namen van Libische steden lichten op nu, soms verschijnt er een bliksempje bij: Ajdabija, Misrata, Tripoli, Benghazi. Mijn laptop is intussen opgestart en ik begin aan de montage van het bezoek aan het ziekenhuis daarnet. Ik hoor de kleuter opnieuw aan het bed rukken, het monotone klappen van de vrieskoffers die open en toe gaan en de mannen die wenen, en erger me plots mateloos aan het lippende mannetje op de televisie voor zijn videoscherm. ‘s Nacht is er opnieuw afweergeschut te horen rondom de stad. Ik slaap slecht die nacht.

Het front

File op de Highway to Death, de 150 kilometer lange weg van Benghazi naar Ajdabija, waar het front is. Journalisten houden van dit soort geïmproviseerde namen, mensen die er langs wonen al wat minder. File dus door oorlogstoeristen. En waarom ook niet eigenlijk? Voor de tweede dag op rij is het rustig in Benghazi. Af en toe zou er nog wel geschoten worden in de straten en Brussel is ongerust omdat er drie AFP collega’s zijn verdwenen in Benghazi, maar evengoed zie je vrouwen gewapend met plastiek zakken met groenten en kinderen aan de hand door de stad wandelen. In dit soort omgeving worden geruchten snel halve waarheden, en halve waarheden voor waar aangenomen. The Highway to Death dus. We passeren een door de Franse Mirages gebombardeerde tank. De tankkoepel is eraf geslagen door de grote impact. Rondom staan tientallen auto’s geparkeerd. Gezinnen komen een kijkje nemen. Kinderen worden op de restanten gehesen. Er worden foto’s en filmpjes geschoten. De tank staat letterlijk op een anderhalve kilometer van de stad. Het volgende uur zullen we tientallen tanks en stukken artillerie passeren die gebombardeerd zijn. De oorlogstoeristen haken af. Af en toe kruisen we ambulances. Samen met ons rijden nu nog bijna alleen pick-ups mee. Soms zijn ze beladen met proviand, dan weer is er artillerie bovenaan vastgelast of zitten er, het is een cliché, ik weet het, maar het is zo, juichende jongeren op, zwaaiend met Kalashnikovs.

Ongeregeld

De grens tussen ‘relatief veilig’ gebied en de frontzone is een rommelige checkpoint in de woestijn. Kilometers verderop wordt zwaar gevochten. Er staan een paar gebouwtjes aan de kant waar het gonst van de bedrijvigheid. Auto’s vanuit Ajdabija komen aangereden met vermoeide strijders. Anderen rijden dan weer naar het front. Rechts aan de horizon zijn zwarte rookpluimen te zien. Een olieraffinaderij zou in brand gestoken zijn. Op onze toeristische wegenkaart van Libië staat hier geen raffinaderijsymbooltje. De sfeer is gespannen. Ik maak me kwaad tegen mijn tolk. Al voor de tweede keer is hij me kwijt geraakt wanneer ik wegren naar toekomende auto’s met strijders. Ik roep tegen hem dat het enige wat hij nu moet doen is naast mij blijven, wat er ook gebeurd, én vertalen. De verhalen van de terugkerende strijders zijn inconsistent. “Er wordt gevochten aan de Oostelijke poort nu”, dan weer “We zijn de stad aan het omsingelen”. Eerst verbaas ik me nog, maar al gauw word ik moedeloos van het zooitje ongeregeld. En dat is geen waarde oordeel. De rebellen die hier naar het front trekken hebben geen plan, geen kaart, kaduke wapens en zijn nauwelijks getraind. Aan de andere kant staan goed uitgeruste, en vooral veel zwaarder bewapende en georganiseerde eenheden van Khaddafi.

Een granaat slaat in verderop in de woestijn. De spanning neemt toe, motoren van auto’s slaan aan en Rudi rent naar onze chauffeur en bezweert hem rustig te blijven en niet zonder ons te vertrekken. De inslag is ruim voor de checkpoint. Dan klinkt een tweede ontploffing. Veel te dichtbij. Rook stijgt op naast het gebouwtje twintig meter verderop. Mensen rennen nu naar de auto’s. Maar aan de rand van het dak van het gebouwtje staan een paar jonge rebellen geamuseerd toe te kijken. Ze zijn helemaal niet in paniek, ondanks de rook aan hun voeten. Ook de rebellen die bij het gebouwtje aan de slag zijn werken gewoon door. Het doet ons vermoedden dat de jongeren een granaat, of een staaf TNT hebben gegooid voor de grap. Oorlogshumor. Wij blijven nog even. Maar niet langer dan nodig.

Ik houd helemaal niet van vreugdeschoten. Ik ben banger van te enthousiaste ongetrainde burgers met een machinegeweer dan van mogelijke sluipschutters. Burgers controleren hun wapen vaak slecht en het zou niet de eerste keer zijn dat er omstanders omkomen bij happy shootings. Maar in oorlogsgebied kan je er bij een begrafenis niet om heen. Het kerkhof van Benghazi is een lelijk stuk land aan de rand van de stad geprangd tegen een fabriek. Vanmorgen worden er drie mannen en een kind begraven. Het gaat vooruit. Weinig palaver, geen speeches. Wel wordt er dus geschoten in de lucht, geschreeuwd, geroepen en gehuild. Veel gehuild. Ik doe interviews tussenin. ‘Is het wel de moeite allemaal? Die ongetrainde jongeren? Moet je, kan je zo’n oorlog wel voeren, laat staan winnen?’ De wenende broer van een dode rebel die wordt begraven vertelt me dat Khaddafi geen Moslim is, en dat hij hoopt dat zijn zonen mogen omkomen. Allah wordt aangeroepen, minutenlang. “We hebben geen keuze. Begrijp je dat?” zegt een oude man. “Dit is onze enige en meteen laatste kans”. Cement en rode aarde gaan over de kisten en de mannen druipen langzaam af. Ik blijf nog even rondhangen. Op terugweg naar de auto delven een paar tieners, keurig in het pakje van de lokale scoutbeweging, verse graven.

Jens Franssen

(De auteur is journalist van de buitenland redactie van de VRT)

@Allen: reageren op dit bericht impliceert dat u instemt met de regels voor deelname aan onze discussieforums, lees ze dus - mod

2 Antwoorden op “Oorlogsdagboek uit Libië”

  1. Willy Vandenbrande Zegt:

    De berichtgeving over Libië heeft al lang niets meer te maken met objectieve journalistiek. Er is geen sprake van woord en wederwoord: er komt maar een partij aan bod en dat zijn de rebellen. Die komen in beeld met kalashnikovs in de hand en schreeuwen daarbij uit dat ze naar Tripoli gaan om Kadhafi eigenhandig te vermoorden. Dat zijn dan de burgers die we nu aan het beschermen zijn dus. Misschien is het ook een voorsmaakje van wat we mogen verwachten als die rebellen met de hulp van onze jongens Tripoli zullen ingenomen hebben. Want de militaire actie heeft al lang niets meer met het beschermen van burgers te maken. De militairen hebben het volledig overgenomen en gaan nu voor een regime verandering, daarbij de VN resolutie compleet aan hun laars lappend.

    Nu, aangezien alle Libische burgers tegen Kadhafi zijn, wat toch keer op keer op keer wordt gezegd in onze media, zijn er in Tripoli dus geen burgers en hoeven we die niet te beschermen tegen de rebellen.

    Maar dan waarschuwt een Amerikaanse generaal dat Kadhafi de burgers gaat bewapenen en dat wordt aangekondigd als een gevaar! Kijk, dat begrijp ik dan helemaal niet meer. Nu organiseert de zot Kadhafi zijn eigen moord - door burgers die tegen hem zijn wapens te geven - en dan is het weer niet goed.

    Ik hoop dat er ooit nog eens een objectieve berichtgeving komt over de gebeurtenissen in Libië, maar in oorlogstijd mag je dat niet verwachten. Het zal voor na de oorlog zijn, als de rook om ons hoofd is verdwenen. En als we inzicht krijgen in wie die rebellen zijn en wat ze drijft. En als we misschien gaan vaststellen dat er weer een seculier regime vervangen is geworden door een moslim regime, zoals nu in Egypte al volop aan het gebeuren is.

    Het is niet mijn bedoeling om regimes als dat van Kadhafi of Moebarak te verdedigen, die vallen niet te verdedigen. Maar ten strijde trekken aan de zijde van groeperingen waarvan we geen flauw benul hebben wat we ervan mogen verwachten, lijkt me niet verstandig. België zou trouwens haar steun aan deze actie meteen moeten intrekken, want er is geen toestemming gegeven om mee te werken aan een regime verandering.

  2. Mikail Zegt:

    Willy Vandenbrande “objectieve” berichten zijn onmogelijk als er niet genoeg informatie is, dus je kunt onmogelijk beslissen wat er objectief is en wat er subjectief is.

    Het is overduidelijk dat de extreme propaganda van gaddafi die er alles aan doet om hun ongelooflijke daden te verbergen (groot voorbeeld, vrouw in hotel vanmorgen voor de ogen van journalisten ontvoerd wegens haar berichten aan de media). Dus alle steun intrekken, gaddafi iedereen die tegen hem is laten vermoorden en dan verwachten dat je objectieve berichten gaat zien, is alles behalve doordacht.

    Mensen hebben daar echt dringend hulp nodig zoals je kunt lezen in dit ongelooflijk dramatisch artikel. Je moet niet verwachten dat een no-fly zone alleen mensen gaat beschermen, het U.N. mandaat vraagt om ALLE middelen in te zetten om civielen te beschermen. En daarom is het legaal om de grond troepen aan te vallen en regime te veranderen!

Plaats een antwoord op het bericht